399L0093
Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december
1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen
Publikatieblad nr L 013 van 19/01/2000 BLZ. 0012 - 0020
Tekst:
RICHTLIJN 1999/93/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op
artikel 47, lid 2, artikel 55 en artikel 95,
Gezien het voorstel van de Commissie(1),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),
Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4);
Overwegende hetgeen volgt:
(1) De Commissie heeft op 16 april 1997 bij het Europees Parlement, de Raad, het
Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een mededeling
ingediend over een Europees initiatief inzake elektronische handel.
(2) De Commissie heeft op 8 oktober 1997 bij het Europees Parlement, de Raad,
het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een mededeling
ingediend "Zorgen voor veiligheid en vertrouwen in elektronische
communicatie - Naar een Europees kader voor digitale handtekeningen en encryptie".
(3) De Raad heeft op 1 december 1997 de Commissie opgeroepen zo spoedig mogelijk
een voorstel in te dienen voor een richtlijn van het Europees Parlement en de
Raad betreffende digitale handtekeningen.
(4) Voor elektronische communicatie en handel zijn "elektronische
handtekeningen" en daarmee verwante diensten die authentificatie mogelijk
maken, vereist; uiteenlopende regels voor de wettelijke erkenning van
elektronische handtekeningen en voor de accreditatie van
certificatiedienstverleners kunnen in de lidstaten grote belemmeringen opwerpen
voor het gebruik van elektronische communicatie en voor de elektronische handel;
duidelijke gemeenschappelijke randvoorwaarden voor elektronische handtekeningen
zullen anderzijds het vertrouwen in en de algemene aanvaarding van de nieuwe
technologieën bevorderen; wetgeving in de lidstaten mag het vrije verkeer van
goederen en diensten binnen de interne markt niet belemmeren.
(5) De interoperabiliteit van producten voor elektronische handtekeningen moet
worden bevorderd; in overeenstemming met artikel 14 van het Verdrag is de
interne markt een gebied zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van
goederen moet worden gewaarborgd; er moet worden voldaan aan essentiële eisen
die specifiek zijn voor producten voor elektronische handtekeningen, zodat het
vrije verkeer in de interne markt wordt gewaarborgd en het vertrouwen in
elektronische handtekeningen kan worden opgebouwd, onverminderd Verordening
(EEG) nr. 3381/94 van de Raad van 19 december 1994 tot instelling van een
communautaire regeling voor exportcontrole op goederen voor tweeërlei
gebruik(5) en Besluit 94/942/GBVB van de Raad van 19 december 1994 betreffende
het gemeenschappelijke optreden door de Raad vastgesteld ten aanzien van de
controle op de uitvoer uit de Gemeenschap van goederen voor tweeërlei
gebruik(6).
(6) Deze richtlijn ziet niet op de harmonisatie van het leveren van diensten met
betrekking tot de vertrouwelijkheid van gegevens, wanneer die diensten onder
nationale regelgeving inzake de openbare orde of openbare veiligheid vallen.
(7) De interne markt verzekert ook het vrije verkeer van personen, waardoor
burgers en ingezetenen van de Europese Unie steeds meer moeten omgaan met de
autoriteiten van andere lidstaten dan die waar zij verblijven; de
beschikbaarheid van elektronische communicatie kan in dit verband grote diensten
bewijzen.
(8) De snelle technologische ontwikkelingen en de wereldwijde omvang van het
Internet vereisen een aanpak die openstaat voor de verschillende technologieën
en diensten die elektronische authentificatie mogelijk maken.
(9) Elektronische handtekeningen zullen in zeer uiteenlopende omstandigheden en
toepassingen worden gebruikt, hetgeen zal resulteren in een breed scala van
nieuwe producten en diensten die verband houden met elektronische
handtekeningen; de definitie van dergelijke producten en diensten mag niet
beperkt blijven tot afgifte en beheer van certificaten, maar moet ook alle
andere producten en diensten omvatten die gebruikmaken van of een hulpmiddel
zijn voor elektronische handtekeningen, zoals registratiediensten,
tijdstempeldiensten, directorydiensten, computerdiensten of adviesverlening
inzake elektronische handtekeningen.
(10) De interne markt maakt het certificatiedienstverleners mogelijk
grensoverschrijdende activiteiten te ontwikkelen om hun concurrentiepositie te
verbeteren, en aldus consumenten en bedrijven nieuwe mogelijkheden te bieden
inzake veilige elektronische informatie-uitwisseling en handel, over de grenzen
heen; teneinde in de hele Gemeenschap het leveren, via open netwerken, van
certificatiediensten te bevorderen, moeten de certificatiedienstverleners hun
diensten vrij zonder voorafgaande machtiging kunnen aanbieden; onder
voorafgaande machtiging wordt niet alleen elke vergunning verstaan waarvoor de
certificatiedienstverlener een besluit van de nationale autoriteiten moet
verkrijgen voordat hij zijn certificatiediensten mag verlenen, maar ook alle
andere maatregelen met hetzelfde effect.
(11) Vrijwillige-accreditatieregelingen, die beogen de dienstverlening te
verbeteren, kunnen certificatiedienstverleners een passend kader bieden om hun
diensten verder te ontwikkelen en het door de markt verlangde niveau van
vertrouwen, veiligheid en kwaliteit te bereiken; dergelijke regelingen dienen de
ontwikkeling te bevorderen van beste praktijken van certificatiedienstverleners;
het moet certificatiedienstverleners vrij staan zich te laten accrediteren en
van dergelijke accreditatieregelingen gebruik te maken.
(12) Certificatiediensten kunnen worden aangeboden door hetzij een dienst,
hetzij een natuurlijke of rechtspersoon zodra die overeenkomstig de nationale
wetgeving gevestigd is; de lidstaten mogen de certificatiedienstverleners niet
verbieden buiten dergelijke accreditatieregelingen te werken; er moet voor
worden gezorgd dat accreditatieregelingen de concurrentie voor
certificatiediensten niet beperken.
(13) De lidstaten kunnen bepalen hoe zij het toezicht op de naleving van deze
richtlijn zullen waarborgen; deze richtlijn sluit niet uit dat vanuit de
particuliere sector toezichtsystemen worden opgezet; deze richtlijn verplicht de
certificatiedienstverleners er niet toe om toezicht in het kader van een
geldende accreditatieregeling te verzoeken.
(14) Het is van belang een evenwicht te vinden tussen de behoeften van de
consumenten en die van het bedrijfsleven.
(15) Bijlage III heeft betrekking op eisen voor veilige middelen voor het
aanmaken van handtekeningen die moeten instaan voor de functionaliteit van
geavanceerde elektronische handtekeningen; bijlage III bestrijkt niet de hele
systeemomgeving waarbinnen dergelijke middelen functioneren; de werking van de
interne markt vereist dat de Commissie en de lidstaten snel de aanwijzing
mogelijk maken van de instanties die belast worden met de
overeenstemmingsbeoordeling van veilige middelen voor het aanmaken van
handtekeningen met bijlage III; de overeenstemming moet met gepaste spoed en
doeltreffend worden beoordeeld teneinde te voldoen aan de behoeften van de
markt.
(16) Deze richtlijn draagt bij tot het gebruik en de wettelijke erkenning van
elektronische handtekeningen in de Gemeenschap; er bestaat geen behoefte aan een
regelgevend kader voor elektronische handtekeningen die uitsluitend worden
gebruikt in systemen die berusten op vrijwillige privaatrechtelijke
overeenkomsten tussen een vastgesteld aantal deelnemers; de vrijheid van
partijen om onderling voorwaarden overeen te komen voor het aanvaarden van
elektronisch ondertekende gegevens moet worden geëerbiedigd in de mate die door
het nationale recht wordt toegestaan; de rechtsgeldigheid en de toelaatbaarheid
als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures van in dergelijke systemen
gebruikte elektronische handtekeningen mogen niet worden miskend.
(17) Deze richtlijn is niet gericht op de harmonisatie van nationale regels met
betrekking tot het contractenrecht, en in het bijzonder betreffende het aangaan
en uitvoeren van contracten, of andere niet-contractuele formaliteiten waarvoor
handtekeningen vereist zijn; derhalve mogen de bepalingen betreffende de
rechtsgevolgen van elektronische handtekeningen geen afbreuk doen aan de
nationale wettelijke vormvereisten met betrekking tot het sluiten van contracten
of de regels die bepalen waar een contract gesloten wordt.
(18) Het opslaan of kopiëren van gegevens voor het aanmaken van handtekeningen
zou een ernstige bedreiging voor de rechtsgeldigheid van elektronische
handtekeningen kunnen vormen.
(19) Elektronische handtekeningen zullen door de openbare sector worden gebruikt
in de ambtelijke diensten van de lidstaten en van de Gemeenschap, alsmede bij de
communicatie tussen deze diensten en met de burgers en met de economische
actoren, bijvoorbeeld in het kader van overheidsopdrachten, belastingen, sociale
zekerheid, gezondheid en justitie.
(20) Geharmoniseerde criteria in verband met de rechtsgevolgen van elektronische
handtekeningen zullen een samenhangend wettelijk kader in de gehele Gemeenschap
garanderen; de nationale wetgeving bevat verschillende voorschriften inzake de
rechtsgeldigheid van handgeschreven handtekeningen; certificaten kunnen worden
gebruikt om de dienst te bevestigen van een persoon die elektronisch
ondertekent; geavanceerde elektronische handtekeningen die zijn gebaseerd op
gekwalificeerde certificaten zijn bedoeld om de veiligheid te vergroten;
geavanceerde elektronische handtekeningendie zijn gebaseerd op een
gekwalificeerd certificaat en die zijn aangemaakt met een veilig middel voor het
aanmaken van handtekeningen kunnen alleen als juridisch gelijkwaardig met
handgeschreven handtekeningen worden beschouwd indien aan deze voorschriften
voor handgeschreven handtekeningen is voldaan.
(21) Teneinde bij te dragen tot de algemene aanvaarding van elektronische
authentificatiemethodes, moet ervoor worden gezorgd dat elektronische
handtekeningen in alle lidstaten in rechtszaken als bewijsmiddel kunnen worden
gebruikt; de wettelijke erkenning van elektronische handtekeningen moet worden
gebaseerd op objectieve criteria en mag niet worden gekoppeld aan de machtiging
van de betrokken dienstverlener; de nationale wetgeving bepaalt in welke
rechtsgebieden elektronische documenten en elektronische handtekeningen kunnen
worden gebruikt; deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een
nationale rechtbank om uitspraak te doen over de overeenstemming met de eisen
van de richtlijn en zij laat de nationale regels in verband met de vrije
beoordeling van bewijsmiddelen door de rechter onverlet.
(22) Certificatiedienstverleners die aan het publiek certificatiediensten
aanbieden, zijn onderworpen aan de nationale aansprakelijkheidsregels.
(23) Voor de ontwikkeling van de internationale handel zijn grensoverschrijdende
afspraken met derde landen vereist; om de interoperabiliteit op mondiaal niveau
te waarborgen kunnen overeenkomsten over multilaterale voorschriften met derde
landen terzake van de wederzijdse erkenning van certificatiediensten nuttig
zijn.
(24) Teneinde het vertrouwen van de gebruiker in elektronische communicatie en
elektronische handel te bevorderen, moeten de certificatiedienstverleners de
wetgeving inzake gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke
levenssfeer naleven.
(25) De bepaling inzake het gebruik van pseudoniemen in certificaten belet de
lidstaten niet op grond van de communautaire of de nationale wetgeving de
identificatie van personen te eisen.
(26) De voor de uitvoering van de onderhavige richtlijn vereiste maatregelen
moeten worden vastgesteld volgens Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni
1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de
Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(7).
(27) De Commissie zal twee jaar na de uitvoering van deze richtlijn een
evaluatie daarvan uitvoeren, onder andere om te waarborgen dat de vooruitgang
van de techniek of wijzigingen in het juridische kader geen belemmeringen voor
de verwezenlijking van de in deze richtlijn vervatte doelstellingen hebben
opgeworpen; zij moet de implicaties van verwante technische sectoren onderzoeken
en daarover een verslag aan het Parlement en de Raad voorleggen.
(28) In overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid
zoals bedoeld in artikel 5 van het Verdrag, kan de doelstelling een
geharmoniseerd juridisch kader te creëren voor elektronische handtekeningen en
daarmee verband houdende diensten niet in voldoende mate door de lidstaten
worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt;
deze richtlijn gaat niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te
verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Toepassingsgebied
Deze richtlijn heeft tot doel het gebruik van elektronische handtekeningen te
vergemakkelijken en tot de wettelijke erkenning ervan bij te dragen. Zij brengt
een juridisch kader tot stand voor elektronische handtekeningen en voor bepaalde
certificatiediensten, teneinde de goede werking vals de interne markt te
garanderen.
Deze richtlijn heeft geen betrekking op aspecten die verband houden met de
totstandkoming of geldigheid van contracten of andere wettelijke verbintenissen
waarvoor het nationale of het Gemeenschapsrecht vormvereisten voorschrijven en
laat de regels en beperkingen onverlet die het nationale of het
Gemeenschapsrecht voorschrijven voor het gebruik van documenten.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. "elektronische handtekening": elektronische gegevens die zijn
vastgehecht aan of logisch geassocieerd zijn met andere elektronische gegevens
en die worden gebruikt als middel voor authentificatie;
2. "geavanceerde elektronische handtekening": een elektronische
handtekening die voldoet aan de volgende eisen:
a) zij is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden;
b) zij maakt het mogelijk de ondertekenaar te identificeren;
c) zij komt tot stand met middelen die de ondertekenaar onder zijn uitsluitende
controle kan houden; en
d) zij is op zodanige wijze aan de gegevens waarop zij betrekking heeft
verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan worden opgespoord;
3. "ondertekenaar": een persoon die de beschikking heeft over een
middel voor het aanmaken van handtekeningen en handelt hetzij uit eigen naam
hetzij uit naam van de dienst of de natuurlijke of rechtspersoon die hij
vertegenwoordigt;
4. "gegevens voor het aanmaken van handtekeningen": unieke gegevens,
zoals codes of cryptografische privé-sleutels, die door de ondertekenaar worden
gebruikt om een elektronische handtekening aan te maken;
5. "middel voor het aanmaken van handtekeningen": geconfigureerde
software of hardware die wordt gebruikt om de gegevens voor het aanmaken van
handtekeningen te implementeren;
6. "veilig middel voor het aanmaken van handtekeningen": een middel
voor het aanmaken van handtekeningen dat voldoet aan de eisen van bijlage III;
7. "gegevens voor het verifiëren van een handtekening": gegevens,
zoals codes of cryptografische openbare sleutels, die worden gebruikt voor het
verifiëren van een elektronische handtekening;
8. "middel voor het verifiëren van een handtekening": geconfigureerde
software of hardware die wordt gebruikt om de gegevens voor het verifiëren van
een handtekening te implementeren;
9. "certificaat": een elektronische bevestiging die gegevens voor het
verifiëren van een handtekening aan een bepaalde persoon verbindt en de
identiteit van die persoon bevestigt;
10. "gekwalificeerd certificaat": een certificaat dat voldoet aan de
eisen van bijlage I en is afgegeven door een certificatiedienstverlener die
voldoet aan de eisen van bijlage II;
11. "certificatiedienstverlener": een dienst of een natuurlijke of
rechtspersoon die certificaten afgeeft of andere diensten in verband met
elektronische handtekeningen verleent;
12. "product voor elektronische handtekeningen": software of hardware,
of relevante componenten daarvan, die door certificatiedienstverleners kunnen
worden gebruikt om diensten op het gebied van elektronische handtekeningen te
verlenen of die voor het aanmaken of verifiëren van elektronische
handtekeningen kunnen worden gebruikt;
13. "vrijwillige accreditatie": een vergunning waarin de rechten en
verplichtingen betreffende de verlening van certificatiediensten zijn vermeld en
die op verzoek van de betrokken certificatiedienstverlener wordt afgegeven door
de openbare of particuliere instantie die belast is met de vastlegging en de
handhaving van die rechten en verplichtingen, wanneer de
certificatiedienstverlener de uit de vergunning voortvloeiende rechten niet kan
uitoefenen zolang hij het besluit van die instantie niet heeft ontvangen.
Artikel 3
Markttoegang
1. De lidstaten stellen het verlenen van certificatiediensten niet afhankelijk
van voorafgaande machtiging.
2. Onverminderd het bepaalde in lid 1, mogen de lidstaten
vrijwillige-accreditatieregelingen invoeren of handhaven die op verbetering van
de certificatiediensten zijn gericht. Alle voorwaarden betreffende dergelijke
regelingen moeten objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn.
De lidstaten mogen het aantal geaccrediteerde certificatiedienstverleners niet
beperken om redenen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.
3. De lidstaten zorgen voor een passend systeem voor toezicht op de op hun
grondgebied gevestigde certificatiedienstverleners die gekwalificeerde
certificaten aan het publiek afgeven.
4. De overeenstemming van veilige middelen voor het aanmaken van handtekeningen
met de eisen van bijlage III wordt vastgesteld door passende openbare of
particuliere instanties die door de lidstaten worden aangewezen. De Commissie
stelt volgens de procedure van artikel 9 de criteria vast aan de hand waarvan de
lidstaten bepalen of een instantie voor aanwijzing geschikt is.
De bevindingen van de in de eerste alinea bedoelde instanties met betrekking tot
de overeenstemming met de eisen van bijlage III worden door alle lidstaten
erkend.
5. De Commissie kan, volgens de procedure van artikel 9, referentienummers van
algemeenl erkende normen voor producten voor elektronische handtekeningen
vaststellen en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendmaken.
Wanneer een product voor elektronische handtekeningen aan dergelijke normen
voldoet, gaan de lidstaten ervan uit dat het met de eisen van bijlage II, punt f),
en bijlage III, in overeenstemming is.
6. De lidstaten en de Commissie werken samen om de ontwikkeling en het gebruik
van middelen voor het verifiëren van handtekeningen te bevorderen en houden
daarbij de in bijlage IV opgenomen aanbevelingen voor het veilig verifiëren van
handtekeningen alsmede het belang van de consument voor ogen.
7. De lidstaten kunnen voor het gebruik van elektronische handtekeningen in de
openbare sector eventuele aanvullende eisen stellen. Deze eisen moeten
objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn en mogen slechts
op de specifieke kenmerken van de betrokken toepassing betrekking hebben. Zij
mogen geen belemmering vormen voor grensoverschrijdende diensten.
Artikel 4
Beginselen betreffende de interne markt
1. Elke lidstaat past de nationale bepalingen die hij krachtens deze richtlijn
vaststelt toe ten aanzien van de op zijn grondgebied gevestigde
certificatiedienstverleners en van de diensten die zij verrichten. De lidstaten
mogen het verlenen van certificatiediensten vanuit een andere lidstaat op
gebieden die onder deze richtlijn vallen niet beperken.
2. De lidstaten waarborgen het vrije verkeer in de interne markt van producten
voor elektronische handtekeningen die aan deze richtlijn voldoen.
Artikel 5
Rechtsgevolgen van elektronische handtekeningen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat geavanceerde elektronische handtekeningen die
zijn gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat en die door een veilig middel
zijn aangemaakt:
a) ten aanzien van gegevens in elektronische vorm voldoen aan alle wettelijke
eisen voor een handtekening, net zoals een handgeschreven handtekening zulks
doet voor gegevens op een papieren drager, alsmede
b) als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures worden toegelaten.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat een elektronische handtekening geen
rechtsgeldigheid wordt ontzegd en dat zij niet als bewijsmiddel in gerechtelijke
procedures kan worden geweigerd louter op grond van het feit dat:
- de handtekening in elektronische vorm is gesteld, of
- niet is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat, of
- niet is gebaseerd op een door een geaccrediteerd certificatiedienstverlener
afgegeven certificaat, of
- zij niet met een veilig middel is aangemaakt.
Artikel 6
Aansprakelijkheid
1. De lidstaten zorgen er ten minste voor dat een certificatiedienstverlener die
een certificaat als gekwalificeerd certificaat aan het publiek afgeeft, of die
zich publiekelijk borg stelt voor een dergelijk certificaat, aansprakelijk is
voor schade die diensten of natuurlijke of rechtspersonen die in redelijkheid op
dit certificaat vertrouwen ondervinden, in samenhang met:
a) de juistheid, op het tijdstip van afgifte, van alle gegevens in het
gekwalificeerde certificaat en de opneming in het gekwalificeerde certificaat
van alle voor een dergelijk certificaat voorgeschreven gegevens;
b) de garantie dat de in het gekwalificeerd certificaat geïdentificeerde
ondertekenaar, op het tijdstip van de afgifte van het certificaat, houder was
van de gegevens voor het aanmaken van de handtekening, die met de in het
certificaat gegeven of geïdentificeerde gegevens voor het verifiëren van een
handtekening overeenstemmen;
c) de garantie dat de gegevens voor het aanmaken van de handtekening en die voor
het verifiëren van de handtekening, - ingeval zij beide door de
certificatiedienstverlener worden gegenereerd -, complementair kunnen worden
gebruikt;
tenzij de certificatiedienstverlener bewijst dat hij niet nalatig heeft
gehandeld.
2. De lidstaten zorgen er ten minste voor dat een certificatiedienstverlener die
een certificaat als gekwalificeerd certificaat aan het publiek heeft afgegeven,
aansprakelijk is voor de schade die bij diensten of natuurlijke of
rechtspersonen die in redelijkheid op het certificaat hebben vertrouwd, is
ontstaan doordat de intrekking van het certificaat niet werd geregistreerd,
tenzij de certificatiedienstverlener bewijst dat hij niet nalatig heeft
gehandeld.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat een certificatiedienstverlener in een
gekwalificeerd certificaat beperkingen betreffende het gebruik van dat
certificaat kan aangeven, doch met dien verstande dat die beperkingen voor
derden herkenbaar moeten zijn. De certificatiedienstverlener is niet
aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit gebruik van een gekwalificeerd
certificaat waarbij de op het certificaat aangegeven beperkingen worden
overschreden.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat certificatiedienstverleners in het
gekwalificeerd certificaat een grens kunnen aangeven voor de waarde van de
transacties waarvoor het certificaat kan worden gebruikt, doch met dien
verstande dat die grens voor derden herkenbaar moet zijn.
De certificatiedienstverlener is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit
uit overschrijding van de hierboven bedoelde grens.
5. De leden 1 tot en met 4 doen geen afbreuk aan Richtlijn 93/13/EEG van de Raad
van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in
consumentenovereenkomsten(8).
Artikel 7
Internationale aspecten
1. De lidstaten zorgen ervoor, dat certificaten die door een in een derde land
gevestigde certificatiedienstverlener als gekwalificeerd certificaat aan het
publiek worden afgegeven, worden gelijkgesteld met certificaten die door een in
de Gemeenschap gevestigde certificatiedienstverlener worden afgegeven, indien
a) de certificatiedienstverlener voldoet aan de eisen van deze richtlijn en in
het kader van een in een lidstaat van de Europese Gemeenschap ingestelde
vrijwillige-accreditatieregeling is geaccrediteerd; dan wel
b) een in de Gemeenschap gevestigde certificatiedienstverlener die voldoet aan
de eisen van deze richtlijn, zich voor het certificaat borg stelt; dan wel
c) het certificaat of de certificatiedienstverlener is erkend in het kader van
een bilaterale of multilaterale overeenkomst tussen de Gemeenschap en derde
landen of internationale organisaties.
2. Teneinde grensoverschrijdende certificatiediensten waarbij derde landen zijn
betrokken en de wettelijke erkenning van geavanceerde elektronische
handtekeningen afkomstig uit derde landen te vergemakkelijken, doet de Commissie
passende voorstellen om de effectieve uitvoering van normen en internationale
overeenkomsten inzake certificatiediensten te bereiken. Met name, en indien
nodig, dient zij bij de Raad voorstellen in voor passende
onderhandelingsmandaten voor bilaterale en multilaterale overeenkomsten met
derde landen en internationale organisaties. De Raad besluit met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen.
3. Wordt de Commissie in kennis gesteld van moeilijkheden die ondernemingen uit
de Gemeenschap ondervinden om toegang te verkrijgen tot de markt van derde
landen, dan kan zij zo nodig aan de Raad voorstellen doen voor een passend
mandaat voor onderhandelingen over vergelijkbare rechten voor ondernemingen uit
de Gemeenschap in die derde landen. De Raad besluit met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen.
Overeenkomstig dit lid genomen maatregelen laten de krachtens de toepasselijke
internationale overeenkomsten op de Gemeenschap en de lidstaten rustende
verplichtingen onverlet.
Artikel 8
Gegevensbescherming
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de certificatiedienstverleners en de met
accreditatie of toezicht belaste nationale instanties voldoen aan de eisen van
Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking
van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(9).
2. De lidstaten zorgen ervoor dat een certificatiedienstverlener die
certificaten aan het publiek afgeeft persoonsgegevens niet anders kan verkrijgen
dan rechtstreeks van de betrokkene zelf of met diens uitdrukkelijke toestemming,
en slechts voorzover de afgifte en het beheer van het certificaat zulks
vereisen. Zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene mogen gegevens
niet voor andere doeleinden worden verzameld of verwerkt.
3. Onverminderd de rechtsgevolgen van pseudoniemen in het nationale recht, mogen
de lidstaten niet verhinderen dat certificatiedienstverleners op het certificaat
een pseudoniem vermelden in plaats van de werkelijke naam van de ondertekenaar.
Artikel 9
Comité
1. De Commissie wordt bijgestaand door een Comité voor elektronische
handtekeningen (hierna "het comité" genoemd).
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit
1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van
dat besluit.
De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt
vastgesteld op drie maanden.
3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 10
Taken van het comité
Het comité geeft toelichtingen bij de in de bijlagen bij deze richtlijn
genoemde eisen, de in artikel 3, lid 4, bedoelde criteria en de in artikel 3,
lid 5, bedoelde algemeen erkende normen voor producten voor elektronische
handtekeningen; het volgt daarbij de procedure van artikel 9, lid 2.
Artikel 11
Kennisgeving
1. De lidstaten verstrekken de Commissie en de andere lidstaten:
a) informatie over nationale vrijwillige accreditatieregelingen, met inbegrip
van eventuele aanvullende eisen overeenkomstig artikel 3, lid 7;
b) de namen en adressen van de nationale instanties die belast zijn met
accreditatie en toezicht alsmede van de in artikel 3, lid 4, genoemde
instanties;
c) de namen en adressen van alle geaccrediteerde nationale
certificatiedienstverleners.
2. De lidstaten delen de overeenkomstig lid 1 verstrekte informatie en
wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk mede.
Artikel 12
Beoordeling
1. De Commissie beoordeelt de werking van deze richtlijn en brengt uiterlijk op
19 juli 2003 daarover verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad.
2. Bij deze beoordeling wordt onder andere bezien of, rekening houdend met de
technologische, commerciële en juridische ontwikkelingen, het toepassingsgebied
van de richtlijn moet worden gewijzigd. Het verslag dient met name een
beoordeling te bevatten, op basis van de opgedane ervaringen, van aspecten van
harmonisatie. Het verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van
wetgevingsvoorstellen.
Artikel 13
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in
werking treden om vóór 19 juli 2001 aan deze richtlijn te voldoen en stellen
de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of
bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels
voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle belangrijke bepalingen
van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied
vaststellen.
Artikel 14
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 15
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 13 december 1999.
Voor het Europees Parlement
De Voorzitster
N. FONTAINE
Voor de Raad
De voorzitter
S. HASSI
(1) PB C 325 van 23.10.1998, blz. 5.
(2) PB C 40 van 15.2.1999, blz. 29.
(3) PB C 93 van 6.4.1999, blz. 33.
(4) Advies van het Europees Parlement van 13 januari 1999 (PB C 104 van
14.4.1999, blz. 49), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 28 juni 1999
(PB C 243 van 27.8.1999, blz. 33) en besluit van het Europees Parlement van 27
oktober 1999 (nog niet verschenen in het Publicatieblad). Besluit van de Raad
van 30 november 1999.
(5) PB L 367 van 31.12.1994, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG)
nr. 837/95 (PB L 90 van 21.4.1995, blz. 1).
(6) PB L 367 van 31.12.1994, blz. 8. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit
1999/193/GBVB (PB L 73 van 19.3.1999, blz. 1).
(7) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(8) PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29.
(9) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
BIJLAGE I
Eisen voor gekwalificeerde certificaten
Gekwalificeerde certificaten moeten het navolgende bevatten:
a) de vermelding dat het certificaat als gekwalificeerd certificaat wordt
afgegeven;
b) de identificatie en het land van vestiging van de afgevende
certificatiedienstverlener;
c) de naam van de ondertekenaar of een als zodanig geïdentificeerd pseudoniem;
d) ruimte voor een specifiek attribuut van de ondertekenaar, dat indien nodig,
afhankelijk van het doel van het certificaat, kan worden vermeld;
e) gegevens voor het verifiëren van de handtekening die overeenstemmen met de
gegevens voor het aanmaken van de handtekening die onder controle van de houder
staan;
f) begin en einde van de geldigheidsduur van het certificaat;
g) de identiteitscode van het certificaat;
h) de geavanceerde elektronische handtekening van de afgevende
certificatiedienstverlener;
i) voorzover van toepassing, beperkingen betreffende het gebruik van het
certificaat; en
j) voorzover van toepassing, grenzen met betrekking tot de waarde van de
transacties waarvoor het certificaat kan worden gebruikt.
BIJLAGE II
Eisen ten aanzien van certificatiedienstverleners die gekwalificeerde
certificaten afgeven
Certificatiedienstverleners moeten:
a) aantonen dat zij voldoen aan de betrouwbaarheidseisen voor het aanbieden van
certificatiediensten;
b) zorgen voor een snelle en veilige directorydienst alsook voor prompte en
veilige intrekking;
c) ervoor zorgen dat datum en tijdstip van afgifte of intrekking van een
certificaat precies kunnen worden vastgesteld;
d) met daartoe geschikte middelen en overeenkomstig de nationale wetgeving, de
identiteit en in voorkomend geval de specifieke attributen verifiëren van de
persoon aan wie een gekwalificeerd certificaat wordt afgegeven;
e) personeel in dienst hebben dat beschikt over de deskundige kennis, ervaring
en kwalificaties die noodzakelijk zijn voor de aangeboden diensten, met name
competentie op het gebied van beheer, alsmede over expertise inzake technologie
voor elektronische handtekeningen, en dat bekend is met goede
beveiligingsprocedures; het personeel moet ook adequate procedures en processen
op het gebied van administratie en beheer toepassen die voldoen aan erkende
normen;
f) gebruikmaken van betrouwbare systemen en producten die beschermd zijn tegen
wijziging en die de technische en cryptografische veiligheid garanderen van de
processen die zij ondersteunen;
g) maatregelen nemen tegen het vervalsen van certificaten en, wanneer de
certificatiedienstverlener gegevens voor het aanmaken van handtekeningen
genereert, de vertrouwelijkheid van dat proces garanderen;
h) voldoende financiële middelen tot hun beschikking houden om in
overeenstemming met de eisen van deze richtlijn te kunnen functioneren, met name
met het oog op de gevolgen van aansprakelijkheid wegens schade, bijvoorbeeld
door middel van een geëigende verzekering;
i) gedurende een gepaste periode alle relevante informatie met betrekking tot
een gekwalificeerd certificaat vastleggen, met name om ten behoeve van
gerechtelijke procedures de certificatie te kunnen bewijzen. Dit vastleggen mag
elektronisch plaatsvinden;
j) afzien van het opslaan of copiëren van gegevens voor het aanmaken van
elektronische handtekeningen van de personen aan wie de
certificatiedienstverlener sleutelbeheerdiensten heeft aangeboden;
k) alvorens een contractuele verbintenis aan te gaan met een persoon die een
certificaat ter ondersteuning van zijn elektronische handtekening wenst, deze
met behulp van een duurzaam communicatiemiddel op de hoogte brengen van de
exacte voorwaarden voor het gebruik van het certificaat, met inbegrip van
eventuele beperkingen inzake dit gebruik, het bestaan van een vrijwillige
accreditatie en de procedures voor klachtenbehandeling en geschillenbeslechting.
Deze informatie moet schriftelijk en in gemakkelijk te begrijpen taal worden
opgesteld; eventueel kan zij langs elektronische weg worden toegezonden.
Relevante delen van die informatie dienen op verzoek eveneens te worden
meegedeeld aan derden die op het certificaat vertrouwen;
l) gebruikmaken van betrouwbare systemen voor de opslag van certificaten in
verifieerbare vorm, zodat
- alleen bevoegde personen gegevens kunnen invoeren en wijzigen;
- de authenticiteit van de informatie kan worden gecontroleerd;
- de certificaten uitsluitend publiekelijk beschikbaar zijn in die gevallen
waarvoor de certificaathouder toestemming heeft gegeven; en
- elke technische wijziging die de bovengenoemde beveiligingsvoorschriften in
gevaar kan brengen, voor de gebruiker duidelijk is.
BIJLAGE III
Eisen voor veilige middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen
1. Veilige middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen
waarborgen via passende technieken en procedures ten minste, dat
a) de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen in de praktijk slechts één
keer kunnen voorkomen en de vertrouwelijkheid daarvan redelijkerwijs
gegarandeerd is;
b) de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen, met redelijke zekerheid,
niet kunnen worden afgeleid en dat de handtekening beschermd is tegen vervalsing
met de thans beschikbare technieken;
c) de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen door de legitieme
ondertekenaar op betrouwbare wijze kunnen worden beschermd tegen gebruik door
anderen.
2. Veilige middelen voor het aanmaken van handtekeningen laten de te
ondertekenen gegevens ongewijzigd en beletten niet dat die gegevens vóór de
ondertekening aan de ondertekenaar worden voorgelegd.
BIJLAGE IV
Aanbevelingen voor het veilig verifiëren van handtekeningen
Tijdens het proces voor het verifiëren van handtekeningen wordt met redelijke
zekerheid gewaarborgd, dat
a) de voor het verifiëren van een handtekening gebruikte gegevens
overeenstemmen met de gegevens die de verifieerder te zien krijgt;
b) de handtekening op betrouwbare wijze wordt geverifieerd en het resultaat
daarvan correct wordt weergegeven;
c) de verifieerder, zo nodig, op betrouwbare wijze de inhoud van de ondertekende
gegevens kan vaststellen;
d) de authenticiteit en de geldigheid van het certificaat dat bij het verifiëren
van de handtekening vereist is, op betrouwbare wijze worden gecontroleerd;
e) dat het resultaat van de verificatie en de identiteit van de ondertekenaar
correct worden weergegeven;
f) het gebruik van een pseudoniem duidelijk wordt aangegeven; en
g) elke wijziging die invloed heeft op de beveiliging kan worden opgespoord.
Bron: http://europa.eu.int/eur-lex/nl/lif/dat/1999/nl_399L0093.html